Het Nieuwe Ajax


Het beste nieuws kwam deze week uit Rotterdam, waar Theo Lucius meldde in geen 100 jaar voor Ajax te willen voetballen. Dat was bijzonder geruststellend. Kunnen we weer opgelucht ademhalen. Op dit moment kan ik geen Feyenoorder bedenken die bij Ajax níet op de tribune zou zitten. Toch denk ik met weemoed terug aan de tijd dat de Rotterdammers nog meetelden in de Eredivisie. Al moet je daar wel een steeds beter geheugen voor hebben.

We mogen gerust spreken van een historische 18e maart 2007. Mocht ik het bejaardentehuis ooit halen, dan zal ik tot mijn laatste ademstoot de verpleging onderhouden over die beruchte wedstrijd in het Eindhovense. Het wereldschot van Sneijder zal elk jaar van grotere afstand zijn. En als ze aandachtig genoeg luisteren zal ik het aandoenlijke vreugdegebaar van scheidsrechter Braamhaar, na het verleende voordeel en het daar op volgende vernederende doelpunt van Perez, blijven voordoen. Dát was nog eens plezier in je goed betaalde werk! Iets wat je in de gezondheidszorg natuurlijk niet hoeft uit te leggen. De scout van Liverpool moet zondagmiddag zijn ogen uit zijn Spionkop hebben gekeken. Was dit het PSV van de kwartfinale Champions League? Hún tegenstander? Het stond er toch echt op zijn programmaboekje: PSV – Ajax. Hij zal nog tijdens de wedstrijd besloten hebben de uitslag maar niet naar het thuisfront door te bellen. Ze zouden hem toch niet geloofd hebben. Zeker weer dronken die gast.

Samen met PSV maakte Ajax de competitie zondag weer enigszins spannend, ook al lijken 5 punten achterstand, met nog 5 wedstrijden te gaan, nét iets teveel van het goede. Het programma van Ajax is op papier makkelijker en is dus moeilijker. We hebben dit seizoen vooral tegen de zogenaamde kleintjes motivatieproblemen en daarom zullen we in de zomer op het strand nog vaak aan die vreselijke zondagmiddag op Spangen en aan die 2-2 in de ArenA tegen Excelsior terugdenken. Ook krijg ik het maffe dansje van Aad de Mos maar niet van mijn netvlies. Vitesse leverde een wereldprestatie door een 0-2 achterstand in een 4-2 overwinning om te buigen en die 8 punten gaan ons uiteindelijk allemaal opbreken. Ik ben dit seizoen te vaak door een onherkenbaar Ajax teleurgesteld om nu nog in een titel te geloven.

Achteraf hadden we Edgar Davids beter meteen in de zomer kunnen halen, want met hem in het team zijn we nog ongeslagen. Edgar was zondagmiddag hard op weg naar het doelpunt van het jaar, maar het was bijzonder sneu voor hem dat keeper Gomes nooit heeft geleerd dat je richting doel altijd naar de grond moet koppen. Echt vreselijk jammer. Bovendien is Edje toe aan een nieuwe bril, want door dat gele glas lijken alle ballenjongens bij PSV dezelfde haarkleur te hebben. Je zag het (achteraf verkeerde) ventje met Davids shirt hardop twijfelen of hij het wel wilde hebben. En híj was door de fanatieke Ajacied niet uitgefoeterd. Wat moet je als jeugdspeler van PSV bovendien met een Ajaxshirt? Op Marktplaats zetten? Je moeder poetsdoeken van laten maken? Al zou hij natuurlijk niet de eerste jeugdige PSV-er met een Ajaxhart zijn. Ene Klaas Jan Huntelaar ging hem al voor. Volgens mij wordt iedereen trouwens als Ajacied geboren, want elk mens houdt toch van aanvallend voetbal? Verkeerde vrienden en dito vaders maken in een jongensjeugd vervolgens meer kapot dan je lief is.

Ajax was er mede verantwoordelijk voor dat ik zonder obstakels met de bal aan de voet zorgeloos door mijn jeugd dribbelde. In een tijd dat een aanstaande live uitzending van een Europacupwedstrijd of interland nog voorpaginanieuws was. Op mijn eerste trainingspak naaide mijn moeder een stukje wit stof, waar ik met viltstift zo sierlijk mogelijk “AJAX” op had geschreven. Het kille woord merchandise was nog niet uit Amerika onze kant op gewaaid. We maakten ons nog niet druk over beursgang, tankgracht of nieuwe Ajaxlogo. Alles was precies zoals we dachten dat het goed was. Ik zag mijn helden op eindeloze woensdagavonden in zwart-wit tegen en met hun Europese tegenstanders spelen, vocaal begeleid door het onvergetelijke stemgeluid van Herman Kuiphof. Ik moet als baby wel haast gedacht hebben dat dát de stem van mijn vader was, zo vaak klonk hij voor mijn gevoel door de woonkamer. Kortom: “Ik was een kind en wist niet beter, dan dat ‘t nooit voorbij zou gaan”, zoals Sonneveld jaren daarvoor al in prachtig sentiment had bezongen in het mooiste Nederlandse lied aller tijden: Het Dorp.

Mijn hele wereld speelde nog 4-3-3 en het spelletje leek er voor uitgevonden. “Achterover leunen en de tegenstander het spel laten maken” bestond alleen in het Italiaans en iedere Nederlandse club had nog aanvallende intenties. Maar de spelopvatting en bijbehorende uitvoering van Ajax waren uniek en zouden dat jaren lang blijven. Inmiddels hebben we al een paar keer kennis gemaakt met het Nieuwe Ajax. Met 4-4-2 in een uitwedstrijd, maar ook weer nét iets anders dan de rest, dus tóch weer uniek. Ten Cate laat de rechterkant open en laat Babel avonturieren op links. In het midden mag Huntelaar zich eindelijk concentreren op dát wat hij wel aardig onder de knie heeft: scoren. Zodra het spelverloop het toelaat en zodra de tegenstander denkt het Ajax-spel eindelijk door te hebben, brengt Henk alsnog een rechtsbuiten. Dit werd de verdwaasde PSV-ers zondag uiteindelijk noodlottig.

Ik ben een echt gewoontemens en moet zelfs wennen aan de krant op tabloidformaat. Dat Ajax inmiddels zijn vleugelspel in uitwedstrijden niet meer als heilig beschouwt, gaat mij al tijden aan het hart en ik heb nog wel even nodig voordat ik daar aan gewend zal zijn. Maar zo’n uitbundig verjaardagsfeest als afgelopen zondag in Eindhoven zou dat moeizame proces voor mij wel eens aanmerkelijk kunnen gaan versnellen. Dit nieuwe Ajax kwam uit alle richtingen en schoot uit alle standen. Dat kan zelfs ík op deze manier niet langer saai en verdedigend noemen. “Ik bewonder en geniet als een Ajacied schiet. En de arme Gomes, die ziet het niet.” De rijke Ajax-historie heeft er eindelijk weer een onvergetelijk hoogtepunt bij. Het kon onderhand wel weer eens. En het smaakt naar meer. Veel meer.

Ron Schiltmans