Mijn dierbaar Ajax


Ik meende je zondagmiddag eindelijk weer te herkennen en dat was niet alleen omdat je sinds lange tijd weer eens van links naar rechts begon. Je leek AZ net zo weergaloos van de mat te gaan spelen als ik al sinds 1982 regelmatig van je gewend was. AZ was bij een vrije trap de draad kwijt en hun buitenspelval mislukte ontroerend mooi. Heitinga en Huntelaar konden op hun gemak dobbelen om wie hem in mocht schieten en het lukte hen bijna nog om te missen, verbaasd als ze waren over zoveel vrijheid. Waar waren de Alkmaarse verdedigers? Ze waren door jouw overrompelende spel even helemaal de weg kwijt. Op de plek waar Heitinga zo vrij stond, was Steinsson de aangewezen persoon om hem van scoren af te houden, maar hij deed alsof zijn neus bloedde. Dat deed hij trouwens opvallend goed. Niet van echt te onderscheiden.
Ik had hoge verwachtingen van je in die lange zomer, want we zouden met een schone lei beginnen. Verwachtingsvolle kriebels in de buik bij het aanschouwen van dat prachtige rood en wit. Ten Cate zou jou immers weer aan het voetballen krijgen? Dat lukte ook redelijk snel en tamelijk goed. Eind oktober schreef ik bijna lyrisch dat jij het weer helemaal had. Onoverwinnelijk, vol flair en Amsterdamse bravoure. Het Ajax waar wij zo lang naar hadden verlangd en eindelijk weer zagen.

Bijna 2 maanden later ziet de wereld er weer heel anders uit. De koppositie is knullig weggegeven en lijkt haast onbereikbaar, de stoere woorden van Ten Cate afgelopen zondag ten spijt. Je bent in een paar weken verworden tot het vervelendste jongetje van de klas. Als er gevochten wordt ben jij er altijd bij. Je deelt de meeste klappen uit en geeft iedereen de schuld behalve jezelf. Je woont niet meer in de betere buurt, maar zwerft door de sloppenwijken op zoek naar heibel. Je schiet eerst en vraagt daarna pas. Je vloekt, scheldt en schopt en doet mijn Ajaxhart overslaan. Je bent soms onhandelbaar en vaak onherkenbaar. Ik ben bang dat ik je kwijtraak, maar ik kan, wil en zal je niet loslaten. Dat zou zijn als stoppen met ademhalen.

Waar is de tijd gebleven dat je met één boze blik een scheidsrechter op je hand had? Dat we ons niet druk maakten over een dwaling van die onbelangrijke man in zwart, want we wonnen immers tóch wel? De tijd dat de scheidsrechter al schrok als onze coach alleen maar even opstond? De tijd dat Sparta-uit nog een abc-tje was en geen ordinaire veldslag? Soms zou ik willen dat ik die tijd níet had meegemaakt. Ik vergelijk je te vaak met hoe je toen was. Dat verlies je namelijk altijd. Tegenwoordig plaatsen we ons niet of ternauwernood voor de Champions League. Als we in de Uefacup vervolgens op de laatste speeldag in de groepsfase zijn aanbeland, gaan we afwegen wat gunstiger loten is: een club die derde is geworden in de Champions League groep, of toch maar een groepswinnaar uit de Uefacup. Het is de treurigheid ten top. We zouden toch immers samen opnieuw de wereld gaan veroveren? Het maakte niet uit tegen wie. “Maar wíj zijn Ajax”, sprak Bryan Roy in 1992 vol trots, toen hem werd gewezen op de mogelijk sterke tegenstanders richting Uefacupfinale. Voor de duvel niet bang. Waar is de tijd dat we samen zorgeloos door Nederland en Europa zwierven? Natuurlijk wonnen we niet alles, maar ook verliezen konden en mochten we in stijl.

Toch weet ik dat jij op dit moment ook worstelt met jezelf. Dat jij óók zou willen dat het anders was. Ook jij droomde immers van nieuwe heldhaftige triomfen? Ik kan daarom soms bijna nog begrip opbrengen voor je gefrustreerde, ongewone en Ajax-onwaardige gedrag op de velden en daarbuiten. Ik weet dat je niet elke wedstrijd kunt winnen, maar punten verspeel je met opgeheven hoofd. Niet met wijzen naar je tegenstander, begeleid door meedogenloos natrappen of respectloos schelden. Ik weet dat je op dit moment aan niets anders denkt dan hoe het anders moet. Ik ken je zo goed. Als ik mij ‘s nachts zwetend in slaap woel, weet ik dat jij dat niet anders doet. Jij bent immers het trotse Ajax, zoekend naar zichzelf?

Ik kan niet langer wachten en wil je daarom snel weer ontmoeten, vanavond nog. Laten we afspreken in het mooie België. Daar mag jij mij nog een laatste keer uitleggen waarom jij je zo hebt laten gaan in de afgelopen weken. Ik zal geduldig zwijgen en jou laten spreken. Ik denk dat je daar wel behoefte aan hebt. Ík heb het zeker. Maar spreek alleen met je voeten, want die begrijp ik nog steeds het allerbeste. Daarna wil ik vergeten wat er is gebeurd en weer trots op je zijn. Ik wil weer verlangend uitkijken naar nieuwe spannende ontmoetingen in sfeervolle stadions. Ik wil de dagen na een wedstrijd weer oneindig en onvermoeibaar namijmeren over prachtige doelpunten, in plaats van of een zware overtreding al dan niet gezien werd en of deze al dan niet een nieuwe schorsing tot gevolg zou kunnen hebben. Ik wil vanavond weer van je genieten en je herkennen aan je superieure techniek en slimme tactiek, telkens twee stappen verder denkend dan je tegenstander. Bij een zware overtreding tegen jou, wil ik je slechts zien glimlachen naar je opponent en vol vertrouwen zien knikken naar de scheidsrechter. Daarna hoop ik dat je grijnzend scoort, in mijn richting kijkt en ik je vervolgens liplezend zal zien zeggen: “Deze was voor jou. Jij Zult Waregem niet snel vergeten.”

Ron Schiltmans